Met mijn zonnebril op mijn lichtelijk verbrande neus loop ik richting ons grootste woonblok. Op de binnenplaats heeft zich een groepje verzameld. Dat is bijzonder in deze dagen. Ze staan met z’n allen rondom twee grote witte zakken. Wanneer ik dichterbij kom herken ik een paar mensen. Uit een van de zakken schept Ali een flinke hap donkere aarde die terecht komt in een ronde bak. De bak is al bijna tot aan de helft gevuld. Ernaast zit een meisje in kleermakerszit met opgestroopte mouwen en een korte broek. Ik ben haar naam even kwijt. Vorige zomer heb ik met haar en haar ganggenoten een biertje gedronken op hun dakterras.

Bloemen

‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vraag ik aan het meisje. Ze kijkt op. ‘Ali vult de bakken met aarde en daarna stop ik er zaadjes in.’ Ze houdt een papieren zakje omhoog. Op de voorkant staan zonnebloemen.

‘Hoeveel bakken hebben jullie wel niet?’

‘Bijna dertig geloof ik. We gaan er bij ieder blok een paar neerzetten.’

Ondertussen gaat Ali stug door met scheppen. Hij draagt een zwart hemdje met blote armen. Hij doet me denken aan een treinmachinist die resoluut het vuur van zijn locomotief gaande probeert te houden. Telkens belandt er weer een plof in de bak aan de voeten van het meisje. Overal is iedereen druk bezig. Bakken worden gevuld, zakjes opengescheurd en zaden geplant. Een meisje met een zwarte veeg op haar voorhoofd is verwoed met haar schep in de weer. Ze schept alsof ze nooit iets anders heeft gedaan. Ik loop naar een Arabisch uitziende jongen die geconcentreerd over een bak heen zit gebogen. Op anderhalve meter afstand kijk ik mee over zijn schouder. Met zijn duim en wijsvinger vist hij pitjes uit zijn zakje. Daarna prikt hij met een vinger gaatjes in de aarde en verdwijnen ze in de grond.

‘Wat ben jij aan het planten?’ vraag ik.

Hij kijkt achterom. ‘Oh, hoi. Ik had je niet horen aankomen.’ De jongen heeft gitzwart haar en een vriendelijk gezicht. Om mijn vraag te beantwoorden bekijk hij de voorkant van zijn zakje. ‘Dit zijn lelies.’

‘Lelies,’ herhaal ik. ‘Mooi. Wanneer komen ze uit? In de zomer?’

De jongen schudt zijn hoofd. ‘Misschien over twee weken!’ Naast hem zakt een meisje op haar hurken. Ze gaat bijna ondersteboven in haar tas om iets te vinden. Haar paardenstaart bungelt voor haar gezicht. Ze komt weer overeind met een schepje in haar hand. Mensen met groene vingers zijn dol op schepjes.

Op naar de 1,5 meter zomer!

Opeens hoor ik Lisa. Haar heb ik ook al lang niet meer gesproken.  Ik draai me om. Ze zet net een paar nieuwe bakken neer. De winter was lang. Iedereen heeft binnen gezeten. We hebben gewacht op de zomer.

‘Hey, Ties,’ zegt ze opgewekt. ‘Kom je ook mee helpen?’

‘Nee, daar ben ik te lui voor. Ik doe verslag van jullie activiteiten.’

‘Oh leuk.’

Op dat moment veegt Ali het zweet van zijn voorhoofd. ‘Moet ik het overnemen?’ vraagt Lisa. Ali knikt. Lisa steekt haar hand uit om de schep over te nemen. Haar vingers zijn zwart van de potgrond. Ali overhandigt haar de schep. Ik zie hoe hun handen elkaar bijna raken.‘Houden jullie wel rekening met de anderhalve meter?’ vraag ik.

‘Jazeker.’ Lisa strijkt een haar uit haar gezicht. ‘Daarvoor hebben we een rooster gemaakt met koppels zodat niet iedereen hier tegelijkertijd zou zijn. Maar ik geloof dat we nu toch genoeg afstand houden. Denk je niet?’

‘Het is belangrijk dat we dit doen,’ onderbreekt Ali op serieuze toon. ‘Het is goed om samen te zijn en we zijn voorzichtig. Straks kan iedereen de bloemen zien die we nu planten.’ Hij draait de dop van een flesje water en zet het aan zijn lippen. Ik kijk hoe hij het water naar binnen klokt. Een paar glinsterende druppels glijden langs zijn mondhoeken door zijn baard naar beneden.

Lente

‘Waar gaat deze naartoe?’ vraag ik wanneer Ali voorbijkomt met een bloembak op een karretje. Hij kijkt vragend achterom naar een meisje met een gieter. ‘Ehm,’ reageert ze.  ‘Die mag naar blok vier, daar staat nog niets.’

‘Wie gaat mee?’ vraagt Ali.

‘Eh, ik!’ roept Adinda enthousiast. Ze geeft haar camera tijdelijk aan mij. Samen met Ali duwt ze het karretje over het pad. De wieltjes ratelen over de stenen. Het geluid doet me denken aan de rolkoffers van de toeristen. Die zijn nu allemaal verdwenen. Ik kijk hoe Ali en Adinda rechtsaf het hoekje omgaan. Weldra zullen de bloembakken over het hele terrein staan. Over twee weken zijn er misschien al bloemen. Rondom het terrein staan de bomen in bloei. Ook de klimop die groeit op onze blokken krijgt steeds meer nieuwe blaadjes.

De dag dat we elkaar weer kunnen omhelzen komt elke dag dichterbij.